Home Over ons Wetenschap en religie Visie over de evolutie theorie Problemen Publicaties en contact

Problemen

Samenvatting Kritiek Evoskepsis Association op de Evolutietheorie

  1. Zinvolle discussie over de evolutietheorie is slechts mogelijk wanneer onderscheid gemaakt wordt tussen micro-evolutie waarbij de omvang van het DNA van een organisme niet groeit, en macro-evolutie waarbij de omvang van DNA van een organisme wél groeit.
  2. Micro-evolutie komt tot stand door recombinatie van gen-varianten ('allelen') uit de genenpool van een populatie en selectie van gunstige combinaties. Dit mechanisme is fundamenteel voor het fokken van dieren en het veredelen van planten, en zorgt er voor dat de levende natuur zich door natuurlijke selectie voortdurend kan aanpassen aan wijzigende omstandigheden. Een voorbeeld van micro-evolutie is de verandering van de snavels van de vinken van Darwin.
  3. Macro-evolutie zou tot stand komen door code-uitbreidende, overerfbare mutaties van het DNA die een selectief voordeel opleveren. Mutaties worden echter bestreden door diverse mutatie-reparatiesystemen in de celkern. Een voorbeeld daarvan is de bestrijding van code-uitbreidende mutaties bij de productie van geslachtscellen. Daarbij worden de genen die van de vader van een organisme afkomstig zijn gemengd met de genen die van de moeder afkomstig zijn. Wanneer de stukken DNA die worden uitgewisseld niet exact dezelfde lengte hebben loopt het proces spaak en verdwijnt de code-uitbreidende mutatie. Bovendien vereist macro-evolutie een disfunctionerend mutatie-reparatiesysteem, wat een ernstig selectief nadeel is voor een organisme omdat het tot kanker en erfelijke ziekten leidt. Volgens Darwin verliest zo'n organisme de strijd om het bestaan waardoor syndroom van Down-achtige code uitbreidende mutaties alsnog worden gewist. Een structureel mechanisme van (1) code-uitbreidende (2) direct-voordelige (3) niet-repareerbare (4) overerfbare DNA-mutaties, die mogelijk gemaakt worden door (5) een disfunctionerend mutatie-reparatiesysteem, kan daarom alleen als mythisch verhaal bestaan, maar niet in werkelijkheid. En bovendien, wat te denken van de logische onmogelijkheid dat mutatie-reparatiesystemen ontstaan door de processen die ze bestrijden?
  4. Doordat micro-evolutie veroorzaakt wordt door een totaal ander proces dan macro-evolutie kan 'heel veel' micro-evolutie, waarbij de omvang van het DNA in een organisme niet toeneemt, geen macro-evolutie tot stand brengen. Micro-evolutie kan leiden tot zeer grote verschillen in uiterlijk van organismen (bijvoorbeeld tot zeer grote aggressieve vechthonden, of tot lieve handpalm hondjes) en tot soortvorming, zonder dat het DNA van de organismen in omvang groeit. Daarom kunnen de talloze voorbeelden van micro-evolutie niet gebruikt worden als bewijs dat macro-evolutie bestaat.
  5. Alleen in mythische verhalen hebben moleculen een intrinsiek verlangen om samen te gaan klonteren tot steeds complexere substanties, tot oersoep, RNA, DNA, een oergen, cellen, en steeds complexere organismen. In de echte wereld is de natuurlijke gang der dingen precies tegenovergesteld. Toevalsprocessen hebben geen doel, maar wél een richting ('arrow of time'): zij egaliseren vroeg of laat elk verschil, bijvoorbeeld van energie, temperatuur, potentiaal, energiedichtheid, informatie of complexiteit. Geen enkele serieuze wetenschapper zal deze basiseigenschap van onze werkelijkheid ontkennen. De macro-evolutietheorie is lijnrecht in tegenspraak met deze basiseigenschap van de werkelijkheid, en daarom met de natuurwetenschappen. Bovendien is de macro-evolutietheorie in strijd met Darwins principe van 'survival of the fittest'. Om deze redenen is de macro-evolutietheorie een niet-valide wetenschappelijke theorie.
  6. Een belangrijke spelregel in de wetenschap, die veelvuldig door reviewers wordt gehanteerd, is dat niet-valide theorieën de prullenbak in gaan, ook als er nog geen alternatieve wetenschappelijke theorie voorhanden is. Er blijft dan een gat over in de wetenschappelijke kennis, omdat de theorie "een god, of een intelligente ontwerper, of een roze olifant schiep het DNA" niet wetenschappelijk is aangezien ze niet toetsbaar en dus niet weerlegbaar is. De theorie "een god, of een intelligente ontwerper, of een roze olifant schiep het DNA" is een geloof en behoort tot het domein van de religie.
  7. De macro-evolutietheorie is niet-valide en moet volgens de spelregels van de wetenschap verworpen worden. Er bestaat echter een uitstekend wetenschappelijk alternatief: "We weten het (nog) niet". Een dergelijke positie is volstrekt normaal en legitiem in elke tak van wetenschap, en zou het ook moeten zijn bij wetenschappelijke discussies over hoe alle in de levende natuur aanwezige genen en al het overige DNA ontstaan zijn.

Fundamentele problemen

  1. Orde ontstaat in huizen, kantoren, fabrieken en laboratoria nooit vanzelf en begint zichzelf in stand te houden, maar vereist gerichte en voortdurende inspanning. De evolutietheorie beweert precies het tegenovergestelde.
  2. De theorie is in tegenspraak met de natuurkunde en de scheikunde, die vastleggen dat orde slechts kan ontstaan en in stand blijven door gerichte inspanning van buitenaf, en niet door ongerichte, toevallige krachten. Deze tegenspraak is niet verbazingwekkend, aangezien de natuurwetenschappen gefundeerd zijn op empirisch bewijsmateriaal en bevestigd worden door dagelijkse ervaring.
  3. Eenvoudige chemische stoffen gaan zich nooit vanzelf, zonder gerichte inspanning van buitenaf, ordenen tot steeds grotere en gecompliceerdere substanties. In plaats daarvan vallen ingewikkelde chemische stoffen vroeg of laat vanzelf uiteen in de kleinst mogelijke eenheden. In de beroemde proef van Miller kon alleen 'oersoep' ontstaan doordat hij de door toevallige, ongerichte bliksemflitsen gevormde grotere eenheden afvoerde naar een kolf, waar ze veilig waren voor vernietiging door nieuwe bliksemflitsen. De proef van Miller bevestigt dat de productie van een complexere chemische substantie uit eenvoudige basisstoffen gerichte inspanning van buitenaf vereist. Wanneer deze natuurwet niet zou gelden, dan zou iedere vorm van chemische industrie zinloos zijn, omdat ingewikkelde chemische stoffen vanzelf en gratis zouden ontstaan. De veronderstelde miljarden tonnen DNA-bouwstenen in de oer-oceanen kunnen daarom niet bestaan hebben.
  4. De verandering en aanpassing in de levende natuur is niet gevolg van het proces van 'gen-mutatie en selectie', maar van het proces van 'gen-recombinatie en selectie'. Alle honden, bijvoorbeeld, hebben dezelfde genenpool (die van de wolf), terwijl ze extreem kunnen verschillen in grootte, kleur, vacht, gedrag, etc., afhankelijk van de combinatie van hun genen. Organismen met een gunstige combinatie van genen uit hun genenpool (bijvoorbeeld de combinatie voor een brede snavel) overleven, terwijl exemplaren met een ongunstige combinatie (bijv. de combinatie voor een smalle snavel) zich niet kunnen voortplanten. Wanneer de selectie criteria van de omgeving veranderen, dan veranderen de combinaties van genen die gunstig zijn, en het ermee corresponderende uiterlijk van de organismen; hun genen pool blijft echter onveranderd. Mutatie van genen (d.w.z. willekeurige beschadiging ervan) heeft niets van doen met deze veranderingen in het uiterlijk van organismen. Het is een volstrekt ander proces, dat krachtig bestreden wordt door vergelijkings- en reparatie mechanismen in de celkern, die gebaseerd zijn op de 8-voudige opslag van dezelfde erfelijke informatie (paren chromosomen, die elk bestaan uit twee chromatiden, die ieder zijn opgebouwd uit twee complementaire strengen met dezelfde informatie). Wanneer de beschadiging van de genetische informatie niet gerepareerd kan worden en wordt door gegeven aan het nageslacht, dan zijn de nakomelingen meestal gehandicapt en kunnen niet overleven in de dagelijkse strijd om voedsel, onderdak en een partner, waardoor de beschadiging alsnog geëlimineerd wordt uit de genenpool van de soort. De ervaringen na de kernramp bij Tsjernobyl en op het terrein van de oncologie tonen aan dat beschadiging van het DNA geen motor kan zijn voor groei en verbetering van de genenpool van een soort.
  5. Het fossiele verslag bevat niet de te verwachten veelheid van tussenvormen. De fossielen zien er precies zo uit als vandaag de dag, op wat uitgestorven soorten na. Bovendien zijn geologie en paleontologie in een cirkelredenering met elkaar verbonden: fossielen worden gedateerd met aardlagen, en aardlagen met fossielen. Hierdoor zijn de dateringen van fossielen volledig speculatief. Omdat de evolutietheorie zeer veel tijd nodig heeft, worden aardlagen als zeer oud gedateerd, en worden bij radiometrie de veronderstellingen over de beginwaarden hierop afgestemd. Er zijn echter tal van aanwijzingen dat de aarde nog relatief jong is: (a) alle aardlagen waarin fossielen gevonden worden bevatten 14C; (b) de aarde is een nog nauwelijks afgekoelde bal vloeibaar gesteente; (c) er is weinig meteorietenstof aanwezig op het aardoppervlak (d) weinig bezinksel op de oceaanbodem; en (e) weinig uitspoeling van zouten in de zeeën.
  6. Binnen de levende natuur zijn vele 'niet-reduceerbaar complexe' systemen aanwezig. Bijvoorbeeld: de lichtgevoelige cellen van het oog, of het motortje dat de zweepstaart van zaadcellen aandrijft. Dergelijke systemen kunnen niet door een lange reeks van kleine stapjes ontstaan, omdat ieder onderdeel van het systeem alleen zin heeft en kan overleven in combinatie met, en afgestemd op de andere onderdelen. Ook tal van processen in de levende natuur zijn niet-reduceerbaar complex, omdat ze niet het resultaat kunnen zijn van een lange reeks van zinvolle tussenstappen. Bijvoorbeeld: het proces waarbij alle bouwstenen in een verpopte rups herschikt worden tot een vlinder. Darwin schreef: "Wanneer iemand het bestaan zou aantonen van een complex orgaan dat absoluut niet voort had kunnen komen uit een groot aantal opeenvolgende wijzigingen, dan zou mijn theorie volledig instorten" (The origin of species, 6e druk, New York University Press, blz. 154). Dergelijke systemen zijn inmiddels gevonden.

  7. Overige problemen

  8. Inderdaad kan door ongerichte krachten tijdelijk orde ontstaan, bijvoorbeeld: de zandribbels op een strand, een ingewikkeld kristalrooster, of spontane polymerisering. Deze orde gaat echter vroeg of laat weer verloren, zodra de ongerichte krachten een nieuwe richting gaan volgen.
  9. De orde van het menselijk genoom (3 miljard tekens) is vergelijkbaar met de orde van het Windows besturings systeem (1 miljard tekens). Het is niet realistisch de orde in Windows en het DNA op één lijn te stellen met de orde van een ingewikkelde kristalstructuur, of hen te beschouwen als een kwantumfluctuatie. Bovendien beschikken Windows en het DNA over mechanismen voor reparatie en in stand houding van de orde. In kwantumfluctuaties en complexe kristalstructuren ontbreken deze mechanismen. Merk op dat in complexe constructieprogramma's (bijvoorbeeld in de voedsel- of de auto-industrie) slechts een klein deel beschrijft welke materialen gebruikt moeten worden, terwijl de rest beschrijft hoe en wanneer deze materialen moeten worden toegepast. Dit is waarschijnlijk ook het geval DNA-programma's.
  10. De functionaliteit van een computer programma kan geoptimaliseerd worden door willekeurige verandering van zijn parameters, selectie van succesvolle resultaten, en opnieuw muteren (et cetera.) Richard Dawkins demonstreert deze optimaliserings strategie in zijn beroemde boek "De Blinde Horlogemaker", gebruik makend van een programma dat symmetrische bomen tekent, gegeven een reeks parameters die het aantal, de lengte en de richting van de te tekenen vertakkingen vastleggen. Door een proces van mutatie en selectie kan hij bomen produceren die lijken op insecten. Het programma zal echter altijd bomen blijven tekenen. Alleen door nieuwe regels toe te voegen aan het programma gaat het bijvoorbeeld huizen tekenen, of auto's of boten. Dawkins' evolutie simulatie programma verduidelijkt dat de toevallige mutatie van de parameters van een programma slechts leidt tot variatie van de output binnen de initiële systeemruimte van het programma. De uitbreiding van het programma voorbij de grenzen van de initiële systeemruimte vereist echter inspanning van een programmeur. Programmeurs hoeven zich daarom geen zorgen te maken over de implicatie van de evolutietheorie, dat ze op zekere dag vervangen kunnen worden door een volledig geautomatiseerd mutatie en selectie proces, dat een programmaatje van een paar byte kan omvormen tot een complex programma van miljarden bytes.
  11. De inhoud en functionaliteit van een computerprogramma kunnen niet groeien door het te beschadigen. Zodra een byte in een computer programma beschadigd wordt (bijvoorbeeld door een kras op een CD of door kosmische straling) verspringt de zogenaamde controle-bit in deze byte en het programma crasht en produceert een foutmelding. Zelfs wanneer het beschadigen wordt geautomatiseerd en een miljard keer uitgevoerd, blijkt het onmogelijk om ook maar 1 regel aan het programma toe te voegen, zoals experimenteel kan worden aangetoond. Net zo min kan het DNA-programma van een levend organisme door mutatie (= beschadiging) groeien van enkele tekens tot de 3 miljard tekens in het menselijk DNA. Beschadiging wordt juist krachtig bestreden door: (a) 8-voudige opslag van dezelfde erfelijke informatie in elke cel; (nota bene: in de ruimtevaart wordt gewerkt met hoogstens 2 of 3-voudige opslag om mutatie van informatie tegen te gaan); (b) complexe mechanismen die de erfelijke informatie voortdurend vergelijken en beschadigingen zo veel mogelijk repareren; (c) talloze hindernissen in de strijd om het bestaan die verhinderen dat organismen met beschadigde erfelijke informatie overleven en hun beschadigde DNA inbrengen in de genenpool van de soort. De embryonale ontwikkeling van levende wezens kan daarom niet een weerspiegeling zijn van een veronderstelde geleidelijke groei van het DNA in omvang en complexiteit, die het gevolg zou zijn van gen-mutatie en selectie.
  12. De aanwezigheid van de orde in de levende natuur kan niet opgevoerd worden als bewijs dat deze orde vanzelf is ontstaan, omdat dit een cirkelredenering is, die dat wat bewezen moet worden bewijst uit datgene wat bewezen moet worden.
  13. De gebeurtenissen die de evolutietheorie postuleert zouden zich alle miljoenen of miljarden jaren geleden afgespeeld hebben. Ze zijn niet toetsbaar. Daardoor voldoet de theorie niet aan de hoofdeis van een wetenschappelijke theorie (toetsbaarheid). De enkele punten die wél toetsbaar zijn leveren een negatief resultaat (zie punt 3: oersoep kan niet door toevallige, ongerichte krachten ontstaan; en punt 4: mutatie kan niet fungeren als motor voor verbetering en uitbreiding van de genenpool).

>> English translation